Naam:  Wachtwoord:   Ingelogd blijven? Wachtwoord kwijt? (Waarom) Registreren
 
          
                         
Dit is het archief van Islamofobie.nl
Sinds juli 2014 verschijnen hier geen nieuwe stukken meer. De artikelen worden *) heringedeeld in acht categorieën: zie de knoppen links. Met uitzondering van de categorie 'Islam(itische ideologie)' is de indeling nu niet meer naar thema, maar naar aard van de stukken. Vier jaar lang lag het hoofdaccent op het voeren van de noodzakelijke ideologische strijd: zie het motto hierboven. In de komende jaren zal ik (initiatiefnemer en belangrijkste leverancier van teksten voor islamofobie.nl) me meer richten op de noodzakelijke politieke strijd. In termen van deze indeling: veel meer nadruk op Voorstellen, Politieke organisatie en iets meer op Opinie. LEES VERDER »
 
 
Islamofobie, een strijdterm (deel 1)

Dit essay is op papier verschenen als bijdrage aan DE ISLAM. Kritische essays over een politiek religie. Deze bundel verscheen in oktober 2010 bij uitgeverij ASP, onder redactie van Wim en Sam van Rooy.
Vanuit politiek en journalistiek is er weinig aandacht besteed aan de bundel. In de enkele kritische, serieuze reacties op het boek kwam dit essay er relatief gunstig van af. Sterker: tot op heden is er geen woord van kritiek op gekomen.
Wilt u dit stuk graag op uw e-reader lezen geef dan via het contact­formulier een e-mailadres door zodat ik de eBook-versie kan toezenden.
Serieuze reacties worden zeer op prijs gesteld. (link naar deel 2)

»
Inleiding
Woorden zijn belangrijk. Zo belangrijk dat ik vanwege de titel van deze bundel even twijfelde of ik er wel een bijdrage voor wilde leveren. In mijn eigen boek Islamofobie? Een nuchter antwoord (noot 1) stel ik immers als eerste actiepunt voor: “Bevorderen van het gebruik van de correcte term ‘mohammedanisme’ in plaats van het verdoezelende en verwarrende ‘islam’”.
Het zich beledigd voelen door de neutrale termen ‘mohammedanisme’ en ‘mohammedaan’ vormt onderdeel van een offensieve, imperialistische strategie.
Islam betekent zoiets als ‘onderwerping’. Moslims zouden dan alle mensen zijn die zich onderwerpen aan de wil van god.
Deze term zou dus ook gebruikt kunnen worden voor niet-mohammedanen.
En dat gebeurt ook, met name door mohammedanen!
Er zijn namelijk moslims en moslims. De ene soort wordt gevormd door de grote groep van alle mensen die willen leven naar de wil van god, zonder precieze aanduiding over welke god het dan gaat. De andere, kleinere, groep wordt gevormd door de mohammedanen: de mensen die proberen te leven naar de wil van Allah volgens de interpretatie die Mohammed daaraan gegeven heeft.
De absurde, maar door mohammedaanse fundamentalisten serieus geuite, bewering dat iedereen wordt geboren als ‘moslim’ en om die reden zich niet kan bekeren tot het mohammedanisme maar daar slechts naar kan ‘terugkeren’, sluit hier naadloos bij aan.
Alle niet-mohammedanen zijn fout bezig met hun geloof, met hun 'moslim' zijn, met hun streven te leven naar de wil van hun god: de Koran staat bol van verzen met deze strekking.
Voor de geïnformeerde luisteraar komt de minachtende houding tegenover andere religies ook in dit woordgebruik tot uiting. Juist christenen en joden worden, door simpelweg deze op het eerste gezicht onschuldig ogende terminologie te hanteren, weggezet als verdwaalden. Wanneer van anderen verwacht wordt dat ze (alleen) de mohammedanen betitelen als moslims, wordt in wezen van hen verlangd dat ze zichzelf wegzetten als mensen die verkeerd bezig zijn.
wanneer de actievoerders werkelijk bezorgd zouden zijn om het lot van ‘moslims’, dan hanteerden ze als strijdterm niet ‘islam(o)fobie’ maar ‘moslimfobie’

Niet iedereen die vast wil houden aan de verdoezelende en verwarrende begrippen ‘islam’ en ‘moslim’ is bewust en actief bezig in het kader van deze offensieve strategie. Die strategie van de lange tenen is echter wel degelijk onderdeel van de agenda van de fundamentalisten en extremisten. Dat komt helder tot uiting in het volgende citaat van de webstek visit-islam.com: “Islam, de naam van de religie waar we het hier over hebben, heeft veel meer betekenis dan op het eerste gezicht lijkt. Het is niet een naam die vergelijkbaar is met die van enige andere religie”. Het zichzelf afzetten tegen ‘andere religies’, vooral die met meerdere goden, en het zichzelf plaatsen boven andere levensbeschouwingen: het zijn belangrijke bouwstenen van dit gedachtegoed.

Letterlijk
De term ‘islamofobie’ maakt nog veel duidelijker onderdeel uit van een politieke agenda dan de termen ‘islam’ en ‘moslim’ dat zijn. Wie spreekt van islamofobie heeft het eigenlijk niet over een angst voor of, al dan niet gerechtvaardigde, kritiek op mohammedanen of het mohammedanisme, maar heeft het over een ziekelijke angst ervoor. Fobie is immers het Griekse achtervoegsel dat staat voor ‘ziekelijke angst’. In het Amerikaanse handboek DSM-IV (noot 2) , worden kenmerken opgesomd van psychische aandoeningen. Bij fobieën spreekt men van duidelijke en aanhoudende angsten die overdreven of onredelijk zijn, en die worden veroorzaakt door de aanwezigheid of verwachting van een specifiek object of een specifieke situatie. Blootstelling aan zo’n specifieke situatie veroorzaakt een directe angstreactie. De persoon ziet zelf ook in dat de angst overdreven of onredelijk is.
Het is volstrekt helder dat het gebruik van de uitgang ‘fobie’ in het woord islamofobie, voor iets anders moet staan dan hier beschreven wordt. De mensen die worden aangeduid als islamofoob zijn zelf echt niet van mening dat ze last hebben van een overdreven of onredelijke angst. Nee, de uitgang ‘fobie’ in de term islamofobie wordt meer gehanteerd naar analogie van het gebruik in homofobie of xenofobie (3). Daar staat de uitgang meer voor zoiets als ‘afkeer van’ of ‘haat tegen’, en het is duidelijk waarom die begrippen gehanteerd worden. Het gebruik van die termen vormt niets meer of minder dan een aanzet om te bekijken hoe die ‘afkeer van’ of ‘haat tegen’ kan worden bestreden: het zijn strijdtermen. Er is geen sprake van dat er zelfs maar zou worden geprobeerd op een afstandelijke en wetenschappelijke manier vast te stellen wat homofobie of xenofobie inhoudt. Maar dat is ook niet zo vreemd wanneer men zich realiseert dat er immers weinig onduidelijkheid bestaat over wat precies een homo of een buitenlander is. Ook voor het begrip ‘islamofobie’ geldt dat niet gepoogd is om precies vast te stellen wat een ‘islamo’ is. Onder Nederlanders die de term vaak gebruiken zijn er die opmerkelijk openhartig zijn over de manier waarop het begrip wordt gehanteerd.
Lees bijvoorbeeld Donselaar en Rodrigues in hun zevende Monitor Racisme & Extremisme (4):
Het begrip islamfobie komt voort uit de wereld van sociale (emancipatie)bewegingen van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw en werd bedacht in kringen van antiracisten en aanhangers van het multiculturalisme. De oude term racisme (een samenstel uitspraken - of theorie - over de inferioriteit van mensen van kleur) voldoet niet langer omdat degenen tegen wie de antiracisten strijden, over het algemeen niet meer grof naar raskenmerken verwijzen. Nu is het tijdperk ingetreden van het ‘nieuwe racisme’: hun (sic) redeneerpatroon blijft hetzelfde, maar zijn (sic) aanhangers vinden andere volken inferieur vanwege hun primitieve of barbaarse cultuur. Islamofoob zijn de opvattingen van westerlingen die zichzelf superieur wanen ten opzichte van de islam en zijn aanhangers. Vanwege deze activistische achtergrond zou je het woord islamofobie een strijdterm kunnen noemen.” (mijn nadruk, FG)

Ondanks het feit dat Donselaar en Rodrigues ook op de loonlijst van universiteiten staan, zijn ze hier bepaald niet wetenschappelijk bezig: al naar gelang de politieke ontwikkelingen wordt de ene ‘strijdterm’ vervangen door een andere. Het staat voor hen vast dat er een politieke strijd gevoerd moet worden tegen een andere politieke stroming. Een stroming die slechts wordt aangeduid met “degenen tegen wie de antiracisten strijden”. Deze vaag aangeduide groep blijkt veranderd te zijn, en daarom moet de al even vaag aangeduide groep der ‘antiracisten’ nu een andere strijdterm gebruiken.
deze opsomming van kenmerken gaat eigenlijk pas vanaf nummer 7 over mensen

Dat deze gebruikers van de term ‘islamofobie’ zich niet opstellen als wetenschappers maar als actie­voerders, zou voor verant­woordelijke bestuurders van de betreffende universiteiten misschien aanleiding moeten zijn de wenk­brauwen te fronsen, maar impliceert op zichzelf nog niet dat de betrokkenen niet integer bezig zijn.
Maar of ze nu wel of niet werkzaam zijn aan een universiteit: waarom zouden actievoerders die zich zorgen maken over de manier waarop ‘moslims’ bekeken en behandeld worden door hun buren of de overheid, zich niet mogen laten inspireren door het tamelijk succesvolle gebruik van de strijdterm ‘homofobie’?
Het antwoord is eigenlijk al gegeven in het zinnetje boven het laatste citaat, dat wat misplaatst overkwam door het gebruik van het onbestaande woord ‘islamo’: wanneer de actievoerders werkelijk bezorgd zouden zijn om het lot van ‘moslims’, dan hanteerden ze als strijdterm niet ‘islam(o)fobie’ maar ‘moslimfobie’ (5).

De mensen of de levensbeschouwing?
Het is niet zo heel simpel om te achterhalen wanneer het begrip is ontstaan, maar over het antwoord op de vraag wanneer het begrip ‘islamofobie’ gemeengoed werd in Europa is geen twijfel mogelijk. Door alle waarnemers wordt dit immers gekoppeld aan het verschijnen van een rapport van de Britse Runnymede-stichting.
Volgens de webstek van henzelf is dat rapport - Islamophobia: A Challenge for Us All - geschreven als een logisch vervolg op een rapport van dezelfde stichting over antisemitisme (A very light Sleeper, 1994). Het rapport (6) over islamofobie verscheen in 1997 en werd gepresenteerd door de toenmalige minister van binnenlandse zaken Jack Straw. De aanslagen van 11 september 2001 hadden het gebruik van het woord nog een enorme extra stimulans gegeven.
Niet alleen wordt dit rapport aangewezen als aanzet voor het veelvuldig gebruik van de term, bovendien is het door zowel de Europese Unie als door de Organization of the Islamic Conference (OIC) omarmd als een soort constituerend document.
Ook is in dit cruciale rapport niet geprobeerd om een eenduidige definitie te geven van wat nu eigenlijk islamofobie zou inhouden. In plaats daarvan vond men het voldoende een achttal kenmerken van het verschijnsel te benoemen. Het rapport bevatte een 60-tal aanbevelingen, wat in overeenstemming is met het willen hanteren van het begrip als strijdterm. Ook het feit dat in 2004 het vervolgrapport (7) niet meer werd geschreven door de Runnymede-stichting maar door de Commission on British Muslims and Islamophobia, wijst daarop.
Omdat dat eerste rapport zo’n hoge status verwierf, worden hier de acht kenmerken integraal weergegeven:

1. De islam wordt gezien als een monolithisch, gesloten blok, statisch en niet in staat tot verandering.
2. De islam wordt gezien als afgescheiden, ‘anders’, zonder gemeenschappelijke waarden en normen met andere groepen.
3. De islam wordt gezien als inferieur aan het Westen, en als barbaars, irrationeel, primitief en seksistisch.
4. De islam wordt gezien als gewelddadig, agressief, bedreigend, de moslims als aanhangers van terrorisme en actief in de ‘botsing van beschavingen’.
5. De islam wordt gedefinieerd als een politieke ideologie, en vooral gezien als inzet voor politieke en militaire doeleinden.
6. De kritiek die vanuit de islam geuit wordt op het Westen wordt bij voorbaat afgewezen.
7. Vijandigheid ten aanzien van de islam gaat gepaard met discriminatie en buitensluiten van moslims in de samenleving, en wordt met de oordelen over de islam gerechtvaardigd en goedgepraat.
8. Vijandigheid tegenover de islam en tegen moslims wordt gezien als een natuurlijk en gewoon verschijnsel.

Je kunt discussiëren over de vraag of het mohammedanisme nu moet worden aangeduid als een gedachtegoed, ideologie, levensbeschouwing, cultuur, beschaving of godsdienst, maar het valt moeilijk te ontkennen dat deze opsomming van kenmerken eigenlijk pas vanaf nummer 7 gaat over mensen, over de mensen die zichzelf moslim noemen. Deze manier van beschrijven van de term heeft dus duidelijk als doel het moham­medanisme als zodanig in bescherming te nemen, niet een groep mensen (8).
Voor geen enkele andere godsdienst, levensbeschouwing of politieke overtuiging worden de aanhangers en de denkbeelden in deze mate verhaspeld. Toch is het idee wijd verspreid dat wanneer het gaat om de belangen van de mensen die zichzelf moslim noemen, het vooral dient te gaan om het verdedigen van de ideologie. Het is verontrustend dat intussen ook de president van de Verenigde Staten zich op deze wijze uitdrukt:
Ik beschouw het als deel van mijn verantwoordelijkheid als president van de Verenigde Staten om tegen negatieve stereotypering van islam te strijden waar deze zich ook maar voordoet.(9)
Vergelijkbare uitspraken doet Obama niet over het katholicisme, hindoeïsme, liberalisme, nazisme, socialisme of maoïsme.
Niet alleen is dit overboord zetten van rationaliteit in de benadering van mohammedanisme en mohammedanen zeer wijd verspreid, het is voor velen schijnbaar zo vanzelfsprekend dat je je serieus gaat afvragen of ze zelf wel doorhebben waar ze mee bezig zijn. Zo’n soort vraag dringt zich bijvoorbeeld meer dan ooit op bij de kennisneming van een onderzoek dat in Nederland vrij veel aandacht heeft gekregen en waar regelmatig naar wordt verwezen: Islamophobia and its origins. A study among Dutch youth, door Henk Dekker en Jolanda van der Noll van de afdeling politicologie van de Universiteit van Leiden (10).
er valt niets te weten over ‘de islam’, er mogen en kunnen geen meningen over dat gedachtegoed zelf worden gevormd

Letterlijk stellen Noll en Dekker dat ze “islamofobie beschouwen als een houding”, en -verwijzend naar een studie van Heitmeyer en Zick uit 2004 - vatten ze islamofobie op als “een vorm van groepsgewijze vijandigheid en een algemene afwijzende houding tegen­over moslims en alle religieuze symbolen en rituelen die afkomstig zijn van de islam”. Opmerkelijk. De houding tegenover - en niet de ziekelijke angst voor - de moham­medaanse levens­beschouwing, godsdienst zo u wilt, wordt door de onderzoekers dus terug­gebracht tot de houding tegenover mensen die zichzelf moslim noemen en de symbolen en rituelen: een belangrijke eerste stap om die levens­beschouwing zélf buiten beeld te houden.

De onderzoekers zijn verder van mening dat er te weinig onderzoek is gedaan naar de oorsprong van die afwijzende houding en presteren het om ‘aan te tonen’ dat de door hen ondervraagde veertien- tot zestienjarigen hun houding onder andere ontlenen aan opvattingen en houdingen die ze meekrijgen van leeftijdsgenoten, ouders en grootouders. Alsof ooit iemand zelfs maar geopperd zou hebben dat dit niet zo was.

Ze maken ook dankbaar gebruik van de zogenaamde ‘direct contact hypothesis’. Deze voorspelt een belangrijke invloed op houdingen door “direct contact met het object waar de houding betrekking op heeft - hier: de islam en moslims”. Noll en Dekkers spreken dus hier, alsook op vele andere plaatsen in de paper, over ‘islam en moslims’, maar het onderzoek zelf richt zich uitsluitend op het contact met de mensen: niet op de levensbeschouwing. Islam is dus blijkbaar geen ideologie, maar een vorm van slachtofferschap. Op pijnlijk onthullende wijze komt dit naar voren wanneer ze ook de invloed van de media aan de kaak stellen. Dan vermelden ze dat de kinderen verkeerde houdingen opgedrongen krijgen: “Niet alleen in informatieve programma’s zoals het (sic) nieuws, maar bijvoorbeeld ook in televisieshows waarin men op zoek is naar vermiste personen; zij doen vaak verslag van vaders die hun kinderen ontvoeren naar Marokko of Turkije.”
Of deze verslagen overeen­stemmen met de werkelijk­heid doet er voor de onderzoekers niet toe: dat dit betrouwbare bouwstenen zouden kunnen zijn voor gezonde oordeels­vorming over ‘de islam’ - dus niet over ‘de moslims’ – is zo uit den boze, dat het niet eens wordt overwogen. Dat de kinderen van de vaders zijn, mannen die hun vrouwen als akkers inzaaien en de kinderen daarvan oogsten: het is een van de rode draden van de Koran, en dat heeft zijn weerslag op wetgeving en cultuur in landen waar het mohammedanisme invloedrijk is.
In de ogen van deze onderzoekers moet men kinderen hierover echter geen kennis bijbrengen: alleen hun houding tegenover een aantal in Nederland woonachtige mensen telt. Zouden de onderzoekers bang zijn dat wanneer de jeugd aan deze kennis werd blootgesteld, ze zich onmiddellijk zouden vervoegen bij een recruterings­bureau voor geweld­dadige rechts-extremisten en bereid zouden blijken hun klasgenoten de veewagons in te jagen?

Het impliciete maar dominante uitgangspunt van het onderzoek is: er valt niets te weten over ‘de islam’, er mogen en kunnen geen meningen over dat gedachtegoed zelf worden gevormd, islam is een verzamel­naam voor de ideeën en gedragingen van mensen die zichzelf moslim noemen.
Verder etaleren de onderzoekers schaamteloos hun onweten­schappelijke insteek door bijna terloops te vermelden dat voor het gemak slechts “vragen werden gesteld over Turken en Marokkanen in plaats van over ‘moslims’”. Dat scholieren door hun omgang met seculiere Turken en Koerden, wie weet zelfs met christelijke Armeniërs of Assyriërs, daardoor blijk zouden kunnen geven van een andere houding tegenover ‘de slachtoffer­groep van moslims’, deert de onderzoekers niet.

Om de mohammedaanse ideologie buiten schot te houden worden de mensen die zichzelf moslim noemen in het schoots­veld geplaatst, maar voor alle zekerheid worden ook de seculieren en de christenen uit dezelfde landen van herkomst toegevoegd aan dit menselijke schild. Het vragen naar opvattingen over Turken en Marokkanen in plaats van over moham­medanen en moham­medanisme, is extra pijnlijk wanneer het wordt afgezet tegen deze regels uit het voorwoord: “We voerden deze studie uit omdat we ons weten­schappelijk uitgedaagd voelden toen we constateerden dat er geen algemeen aanvaard instrument bestond om islamofobie te meten.

Strijdterm
‘Islamofobie’ is dus een strijdterm. Maar over welke strijd gaat het dan en wie voert die strijd eigenlijk? Donselaar en Rodrigues hebben het over ‘de antiracisten’. Wanneer die groep alle mensen zou omvatten die beslist afstand nemen van elke vorm van racisme, kan meer dan 95% van de autochtone bevolking in het Westen daartoe worden gerekend. Wanneer het gaat om de groep van mensen die regelmatig demonstraties en andere activiteiten organiseren tegen individuen of groeperingen die zij als ‘racistisch’ wensen te bestempelen, gaat het over een marginaal groepje waar veel minder dan 1% van de bevolking toe behoort. Het is moeilijk om een nog vagere aanduiding voor een politieke stroming te verzinnen. De daarnaast gebruikte aanduiding ‘aanhangers van het multiculturalisme’ geeft al iets meer houvast: waarschijnlijk doelen ze op wat traditioneel wordt aangeduid als ‘links’. In de Nederlandse verhoudingen: leden en sympathisanten van partijen als D66, PvdA, GroenLinks en mensen die zichzelf nog links daarvan plaatsen en in wat mindere mate de aanhangers van SP en CDA.
In België en in de rest van Europa ligt dat niet veel anders. Opvallend openhartig onthult bijvoorbeeld Gordon Conway, de voorzitter van de commissie die het Runnymede-rapport schreef, wat voor soort man hij is en wat zijn betrokkenheid is bij het onderwerp (11). Conway is professor, maar niet in een vak dat hem enige kwalificatie biedt onderzoek te doen op het terrein van het mohammedanisme: ecologische landbouw. Zijn deskundigheid op het terrein waarop zijn commissie zich begaf ontleent hij hieraan: “Ik heb gewerkt en geleefd naast moslims in vele landen en geloof sterk (12) in het bestrijden van vooroordelen en discriminatie, maar ook in de intrinsieke waarde van multiculturele samenlevingen.”
Conway noemt ‘islamofobie’ in datzelfde stuk een lelijk woord, en hij is zeer expliciet over het feit dat vanaf de oprichting van de commissie, de mohammedaanse leden - die de helft van het aantal leden uitmaakten - erop aandrongen om juist hierop te focussen.

Om te weten te komen wat de politieke kleur is van de Runnymede-stichting, volstaat een korte blik op de webstek van de organisatie.
Onmiddellijk valt op dat de mohammedaanse fundamentalist Tariq Ramadan in deze kring op handen wordt gedragen. In een videoclip op de webstek noemt een Nederlander (13) hem letterlijk een ‘islamitische superster’. Tariq Ramadan is in Nederland vooral bekend geworden omdat hij zijn aanstelling als ‘bruggenbouwer’ bij de gemeente Rotterdam verloor toen uitkwam dat hij vaste medewerker is van de staatstelevisie in het Iran van Ahmadinejad.
In Frankrijk is hij eerder bekend van zijn voorstel om lijfstraffen - zoals de steniging van overspeligen - tijdelijk op te schorten. Opschorten, niet afschaffen, omdat hij ook de meest extremistische mohammedanen als zijn broeders in het geloof beschouwt.
Helaas is het wat minder bekend dat hij er bovendien actief aan bijdraagt dat de hervorming van het mohammedanisme wordt afgeremd door zeer strikte voorwaarden te formuleren waaraan men moet voldoen om aan herinterpretatie, ‘ijtijad’, van de mohammedaanse bronnen te mogen doen (14).

Het gebruik van de term ‘islamofobie’ (als strijdterm) is bepaald geen exclusief westerse aangelegenheid. De voornoemde commissie gaf in het voorwoord van het rapport al aan dat ze de term islamofobie niet zelf had bedacht:
Het begrip werd al gebruikt in delen van de moslimgemeenschap.
Het zou de moeite waard zijn te achterhalen of men binnen die commissie er zicht op had over welke delen van de moslimgemeenschap dit dan ging, maar dat voert te ver voor dit stuk.

Op de kritische Koeweitse webstek ‘Kwanteer’ schreef Abdul-Khaleq Hussein enkele jaren geleden een stuk onder de kop Khurafat al-Islamophobia?(15) wat zoiets betekent als De mythe van de islamofobie. De belangrijkste boodschap ervan is dat de term islamofobie niet werd uitgevonden door het Westen, maar dat het de radicale mohammedanen en hun westerse fellowtravelers zijn die “de term gebruiken om elke eerlijke en noodzakelijke kritiek op aspecten van de islam te belemmeren”. De kritiek van deze Arabische intellectueel liegt er niet om. Tussenkopjes luiden: “Is het waar dat het Westen bang is van de islam?” en “Wie profiteert er van de islamofobie-leugen?”. Het stukje onder de kop “Wie zit er achter ‘islamofobie’?” is het waard om hier vrij uitgebreid uit te citeren.
Er wordt beweerd dat westerse veiligheidsdiensten de term bedacht hebben om vrees voor islam te genereren in de westerse landen. Dat was nodig, zo wordt ons verteld, na het einde van de koude oorlog, de ineenstorting van de Sovjet-Unie en het socialistische kamp in Oost-Europa. Deze theorie claimt dat het Westen altijd behoefte had aan een gemeenschappelijke vijand om haar eigen samenhang en allianties in stand te houden. De dreiging van het communisme vervulde gedurende een halve eeuw die rol en nu mag islam die rol overnemen.
(…) Arabieren lijden aan een ongeneeslijke ziekte die bekend staat als de Historische Samenzweringstheorie. Ze weten dat ze verschrikkelijk onderontwikkeld zijn, maar tegelijkertijd verzetten ze zich ertegen onderdeel te worden van de moderne beschaving. Ze hebben niets te bieden dan olie, terrorisme en vernietiging. En ondanks hun achterlijkheid - het niveau van het analfabetisme, niet kunnen lezen, ligt rond de 60%, terwijl het culturele analfabetisme rond de 90% ligt - geloven Arabieren dat ze het beste volk van de wereld zijn! Ze beschouwen het Westen, met al haar wetenschap, technologie, moderniteit, filosofie, democratie en mensenrechten alsof ze leven in de tijd van de ‘jahilyya’ (16); daarin volgen ze de theorie van Sayyed Qutb (17).
(…) Is het niet de politieke islam die jonge mannen er toe aanzet onschuldige niet-moslims en moslims die het niet met hen eens zijn, te vermoorden? Zijn het niet religieuze islamitische leiders die teksten uit de Koran en Hadith gebruiken om moslimdokters die in het Westen leven te veranderen in terroristen? Als alles waar is wat ik hier heb beschreven, waarom dan westerlingen het bedenken van de term islamofobie aanrekenen?

Abdoolkarim Vakil (18), die in zijn vage en slecht leesbare, maar inhoudelijk toch interessante stuk Is the Islam in islamophobia the same as the Islam in anti-islam; or, when is it islamophobia time? ook wijst op de hierboven aangehaalde uitspraak van Conway (“Het begrip werd al gebruikt in delen van de moslimgemeenschap”), helpt ons nog wat verder bij het zoeken naar die ‘delen van de moslim­gemeenschap’. Zijn zoektocht naar het eerste voorkomen van het begrip ‘islamofobie’ levert daarvoor aanknopingspunten.

Sommige bronnen opperen dat de term islamofobie bedacht is door Khomeiny.
Dat sluit aan bij de bewering (20) dat islamofobie als ‘verschijnsel’ ontstaan zou zijn in reactie op de greep naar de macht in Iran door diezelfde Khomeiny, pas in 1979 dus.
Vakil ontdekte echter dat met name de Franse versie, ‘islamophobie’, al veel eerder werd gebruikt. Helemaal aan het begin van zijn stuk heeft Vakil een citaat van Ian Hacking opgenomen dat er al op wijst dat in zijn ogen ‘islamofobie’ een strijdterm pur sang is:
De historische achtergrond van een begrip bekijken dient er niet toe om de onderdelen ervan bloot te leggen, maar om de principes te onderzoeken die bepalen of het begrip nuttig is - of problematisch.
Vakil licht dat in zijn stuk verder toe door twee manieren waarop ‘islamofobie’ wordt gebruikt, expliciet tegenover elkaar te zetten: de wijze waarop Etienne Dinet en Sliman Ben Ibrahim de term in 1918 al gebruikten tegenover die waarop Georges Chehata Anawati dat deed.

De laatstgenoemde, een katholieke Egyptenaar, gaf decennialang leiding aan het Dominican Institute for Oriental Studies in Caïro. Zijn proefschrift ging over Avicenna en hij redigeerde werk van Averroës (21). Samen met Louis Gardet schreef hij in 1950 Introduction à la théologie musulmane, dat door Islamic Philosophy Online wordt betiteld als “een van de grondigste studies van ‘kalam’ in een westerse taal.(22)” Kalam staat daarbij – grofweg - voor rationalisme. De mensen die zich daar in de zevende en achtste eeuw van onze jaartelling mee bezig hielden, worden door de schrijver van het artikel, Abdelwahab El-Affendi, voorgesteld als voorlopers van de mutazilieten, een stroming binnen het mohammedanisme die ongeveer in de vijftiende eeuw definitief de mond werd gesnoerd. Het instituut van Anawati richtte zich -in de eerste helft van de twintigste eeuw dus al! - op dialoog tussen christelijke en mohammedaanse geleerden.
Zijn doel was de intellectuele uitwisseling tussen Arabisch sprekende moslims en christenen, die een kenmerk was van het middeleeuwse wetenschappelijk discours, te doen herleven. (…) Hij beïnvloedde het Tweede Vaticaanse Concilie voor wat betreft de heroverweging van de relatie van de christelijke relaties met andere religies (Nostra Aetate) en de erop volgende katholieke initiatieven voor dialoog tussen christenen en moslims.

Een man die over dit onderwerp wel wat te vertellen had, zou je dus kunnen stellen. In 1976 verzuchtte hij:
... wat de opgave voor een niet-moslim moeilijk, misschien onmogelijk maakt, is dat hij gedwongen is, op straffe van beschuldigd te worden van islamofobie, de Koran in zijn geheel te bewonderen en op te letten niet de allergeringste vorm van kritiek te laten doorklinken op de literaire waarde.

Aan de eerstgenoemden, Dinet en Ben Ibrahim, komt volgens Vakil de eer toe daadwerkelijk als eerste de term ‘islamophobie’ te hebben gebruikt (24).
Vakil gaat nauwelijks in op de wijze waarop Dinet en Ibrahim het begrip hanteren. Hij benadrukt dat ze beiden moslim waren en dat ze schreven “vanuit de wens een moslimperspectief te schetsen, vrij van oriëntalistische verdraaiingen”.
In zijn stuk verwijst hij nadrukkelijk naar het door Edward Saïd bekend geworden begrip ‘oriëntalisme’. De betekenis ervan is kort samen te vatten als: alle waarnemingen en beschouwingen van westerlingen over het Midden-Oosten en het mohammedanisme moeten worden verworpen omdat ze niet los kunnen en mogen worden gezien van het kolonialisme.
Middels de valse beschuldiging van oriëntalisme, in het Westen gretig omarmd door studenten en universitaire medewerkers met marxistische achtergrond, wordt gepoogd in een machtige zwaai de mond te snoeren van honderden wetenschappers en duizenden journalisten en andere commentatoren.
Als uitgesproken saïdist plaatst Vakil het gebruik van de term door Dinet en Ibrahim in de context van hun pleidooi voor erkenning van de hulp en de opofferingen van mohammedanen (voor de Franse zaak) in de Eerste Wereldoorlog. Alsof de Arabieren - want die mohammedanen betrof het natuurlijk - geen enkel eigen belang hadden bij hun verzet tegen de Ottomanen. Anawat zet hij weg als iemand die geen oog had voor “de fanatieke oriëntalistische aanval op de islam als geheel”. Vakil besluit zijn stuk dan ook:
Ik betoog dat het [de term islamofobie] een sterk politiek concept is voor het structureren en versterken van de islamitische invalshoek (subjectivities) in Europa, vooral omdat het concept zijn wortels heeft in een islamitisch perspectief. Sterker dan wat men er mee wil afwijzen - een nieuwe, meer of minder uitgesproken haat tegen moslims - wijst het op de opbouw en bevestiging van een moslim-politiek uitgangspunt in Europa (mijn nadruk, FG).

Een duidelijke illustratie van het strijdterm-karakter van het begrip. Een term die bruikbaar wordt geacht in de strijd om de invloed van het mohammedanisme uit te breiden: het vermeende slachtofferschap wordt omgezet in een hulpmiddel voor de offensieve strijd.

In mei 2010 organiseerde Vakil samen met anderen een workshop Muslims in Europe and Islamophobia, waar ook S. Sayyid sprak. In de samenvatting (25) van diens bijdrage is deze nog explicieter over het karakter van de term: “Samengevat: wat winnen we en wat raken we kwijt door te spreken over islamofobie in plaats van over racisme of oriëntalisme.” Wat gold voor Donselaar en Rodrigues geldt in nog sterkere mate voor Sayyid: al naargelang de politieke ontwikkelingen wordt de ene strijdterm vervangen door een andere (26).
De bijdrage van Vakil zelf aan die workshop is veelzeggend. Heel helder komt aan het slot van de samenvatting opnieuw de verhaspeling van de ideologie en de groep mensen, de groep ‘slachtoffers’, naar voren:
Omdat het concept islamofobie spreekt tegen (sic) een maatschappelijk verschijnsel, zou elke term die gebruikt werd om dit verschijnsel te beschrijven zijn betwist; nu deze term gehanteerd wordt, zijn daarmee de frontlijnen op een specifieke manier bepaald: een manier die de blinde vlekken van de grammatica van ras en religie (sic) als middel om bescherming te bieden aan moslims, aan het licht brengt.
De formulering is wat krom, maar het lijdt geen twijfel dat Vakil het onvoldoende acht om ‘de moslims te beschermen’ langs de weg van hun ras en religie: het gedachtegoed moet worden beschermd en daarvoor is de kreet ‘islamofobie’ geschikter.

De Organization of the Islamic Conference (OIC)
In voorgaande paragraaf werd stil gestaan bij teksten van in het Westen woonachtige moham­medaanse en niet-moham­medaanse wetenschappers die er veel waarde aan hechten de moham­medaanse ideologie in bescherming te nemen tegen kritiek.
De uitzonderlijk geringe aandacht die in het Westen wordt besteed aan de veranderende rol van de OIC, maakt het noodzakelijk om verder over die organisatie uit te weiden
Auteurs met zodanige autoriteit dat je hen zelfs zou kunnen bestempelen als politieke actoren met enig gewicht. Dat gewicht is echter klein bier in vergelijking met dat van de OIC, de Organization of the Islamic Conference. Het gebruik van de strijdterm islamofobie is een belangrijk agendapunt voor deze organisatie die bestaat uit 57 landen waar veel mohammedanen wonen; de bestrijding van islamofobie is een topprioriteit.
Een onopvallend maar belangrijk kenmerk van die organisatie zelf is dat er zo uitzonderlijk weinig aandacht aan wordt besteed in de literatuur. Naveed Sheikh, een onafhankelijk denkende mohammedaanse utopist die ik uitgebreid citeerde in mijn eigen boek, stelde in The New Politics of Islam, Pan-Islamic Foreign Policy in a World of States (27) ook al vast dat er nog maar heel weinig studie gewijd is aan het functioneren van deze organisatie. Ook de media reppen maar weinig over deze “grootste intergouvernementele organisatie na de Verenigde Naties, waarvan de lidstaten te vinden zijn op vier continenten.” (28)
Twee eenvoudige exercities op internet bevestigen deze indruk. In de eerste tabel staat het aantal hits dat de Google-zoekmachine op 28 juni 2010 opleverde voor een aantal grote organisaties:

BRICOICUNNATOEUOPECASEAN
algemeen *55,52200506404,615,3
nieuws2400 **53188300164004020025502480
nieuws BBC307334128710
nieuws NYT6059444130
* in miljoenen ** zonder brac
In de tweede tabel staat het aantal hits dat de Amazon-boekenzoekmachine opleverde bij het zoeken naar de afkorting van de organisatie in het algemeen en exclusief in de titel van boeken:
BRICOICUNNATOEUOPECASEAN
boeken187 ** 2614304799653225111363096
boektitels162 ** 6412274685063686071822

Uiteraard leveren deze zeer eenvoudige zoekacties weinig betrouwbare en in ieder geval weinig exacte resultaten. Niet voor niets staat de precieze datum van de zoekacties vermeld. Zie ook de tweede opmerking bij de tabellen: door toevoeging van de zoekoptie ‘-brac’ liep het aantal nieuwshits voor BRIC met enkele duizenden terug vanwege het veelvuldig voorkomen van de woordcombinatie ‘bric(-a-)brac’. Verder staat de afkorting OIC ook voor Oost Indische Compagnie en nog enkele andere begrippen. De zoekacties zijn ook sterk afhankelijk van directe of indirecte beschikbaarheid in het Engels.
Maar dit soort onderzoekjes is echter wel gebaseerd op volstrekt onpartijdige algoritmen en de cijfers zijn werkelijk verbluffend significant (29). Natuurlijk hebben de instellingen van VN, EU en NAVO veel meer mensen in dienst en bestaan ze ook wat langer: twee redenen waarom het logisch is dat veel meer teksten over (en door) deze organisaties worden geproduceerd. Dat is de reden waarom er in de vergelijking ook cijfers over BRIC werden opgenomen. BRIC staat voor de landen­combinatie Brazilië, Rusland, India en China, en is in wezen niets meer dan een marketingterm die minder dan tien jaar geleden in de financiële wereld werd geïntroduceerd. Pas in 2009 hebben de betreffende landen een eerste keer onder die vlag overleg gepleegd.
Vooral het aantal boeken met OIC in de titel is verbijsterend laag, zeker wanneer men weet dat een deel van die 64 helemaal niet over de Organization of the Islamic Conference gaat, een aantal ervan onderdeel is van een serie over EU en OIC die het product is van een samenwerkingsproject tussen beide organisaties, de meeste van de titels niet meer verkrijgbaar zijn, een aantal boekverwijzingen leidt naar artikelen en het grootste deel geschreven is alvorens Turkije een rol ging spelen binnen de OIC. Ook na toevoeging van de zoekresultaten voor de volledig uitgeschreven naam, is het aantal noemenswaardige Engelstalige publicaties nog letterlijk op één hand te tellen.

Een van de verklarende factoren voor die geringe aandacht is niet moeilijk aan te wijzen. De in het begin van dit hoofdstuk vernoemde Sheikh is heel zeker en zeer overtuigend over die factor: de patstelling tussen Pakistan, Iran en Saoedi-Arabië, de landen die lange tijd werden beschouwd als drie kernlanden van de mohammedaanse wereld in het algemeen en van de OIC in het bijzonder. Dit waren ook - samen met Marokko - de initiatiefnemers voor de oprichting van de OIC. Vooral in de beginjaren was het niveau van de samenwerking tussen de lidstaten uiterst beschamend: op een van de eerste grote conferenties van de organisatie bedreigden afgevaardigden van verschillende lidstaten elkaar zelfs met wapens. Het drietal blokkeerde decennialang, dankzij hun tegengestelde belangen en visies, elke vorm van effectief gezamenlijk optreden. Ze neutraliseerden elkaar. De OIC speelde bijvoorbeeld geen enkele rol bij conflicten tussen de lidstaten, zelfs niet bij de verschrikkelijke oorlog tussen Iran en Irak, ondanks het feit dat buiten Irak zelf er niemand aan twijfelde dat Saddam Hoessein de agressor was.

Inmiddels bestaat die patstelling echter beslist niet meer in de zelfde vorm. In dit verband kan men nu echt niet meer heen om de veranderde positie van Turkije. Samuel Huntington sloeg de plank finaal mis met zijn voorspellingen over dat land in zijn beroemde werk The Clash of Civilizations, dat toevallig werd gepubliceerd in hetzelfde jaar waarin zich een trendbreuk voordeed in de Turkse geschiedenis. Van de ‘deadly rival’ van Atatürk, van de would-be kalief Enver Pasha, van de man die niet alleen een van de hoofdverantwoordelijken was voor de Armeense genocidale deportaties, maar ook de dood van tienduizenden, mogelijk honderdduizenden Turken kan worden aangerekend, de man die destijds door de Turkse krijgsraad bij verstek werd veroordeeld tot de doodstraf: van deze man werden precies in 1996 de stoffelijke resten met groot eerbetoon herbegraven. Een miljoen bezoekers kwamen af op de plechtigheid in Istanboel.
De verhouding tussen Turkije en de OIC zijn sinds dat jaar drastisch veranderd. In 1970 weigerde Turkije nog om het handvest van die organisatie te ondertekenen omdat erin werd verwezen naar mohammedaanse principes en de eenheid van en solidariteit onder de mohammedanen. Onder leiding van de AK-partij van Erdogan en Gül is Turkije daarna juist een prominent lid geworden van de OIC. De Turkse professor Ihsanoglu is sinds 2005 secretaris-generaal van die organisatie.

De voorgaande alinea’s zijn gebaseerd op het hoofdstuk over Turkije in mijn boek (30), maar in de maanden na het verschijnen ervan is het nog veel moeilijker geworden de nieuwe rol van Turkije te negeren: de provocaties in de richting van Israël springen daarbij het meest in het oog. Niet voor niets wordt Ihsanoglu een van de invloedrijkste mohammedanen genoemd (31).
Vooral de aangevoerde reden is in dit kader interessant:
De OIC werd gezien als een disfunctionele organisatie totdat kort geleden de activiteiten en doelen herzien werden. Onder het leiderschap van Ihsanoglu is de opdracht verbreed (…).

Journalist Michael Rubin schreef in 2005 al een gedegen onderbouwd stuk over de financiële steun van Saoedi-Arabië aan Turkije (32). Het is moeilijk uit te maken hoe belangrijk de steun van de Saoedi’s is (geweest) voor het succes van de AK-regering in Turkije. Het is nog moeilijker te bepalen of die steun de richting van de internationale politiek van Erdogan eigenlijk bijstuurt, hoewel dat nogal onwaarschijnlijk lijkt voor iemand die zich al decennialang wijdt aan de re-islamisering van zijn vaderland. In ieder geval is Erdogan net zo verheugd over de groeiende invloed van de OIC als koning Feisal van Saoedi-Arabië. Eind januari 2010 bracht de APS Diplomat Recorder hierover dit berichtje:
De Turkse Premier Recep Tayyip Erdogan bezocht het hoofdkantoor van de Organization of the Islamic Conference (OIC) en gaf uiting aan zijn tevredenheid over de groeiende rol van de 57 leden tellende groep op het wereldtoneel. Op een persconferentie met OIC Secretaris-Generaal Ekmeleddin Ihsanoglu, bedankte Erdogan de King Faisal Foundation voor de toekenning van de prestigieuze King Faisal International Prize for Service to Islam aan hem. ‘Ik ben er trots op geselecteerd te zijn voor de koning Faisal Prijs (…),’ zei Erdogan, en hij voegde eraan toe dat de prijs zijn verantwoordelijkheid voor de promotie van culturele dialoog vergrootte. Hij benadrukte de sterke relaties tussen Saoedi-Arabië en Turkije. (33)

Hoe belangrijk die relatie is wordt duidelijk uit de berichtgeving over het in ontvangst nemen van die prijs: Erdogan nam bijna honderd topambtenaren mee, twee ministers, veel leden van zijn familie en een stuk of veertig journalisten om met de Saoedi’s besprekingen te voeren over een groot aantal onderwerpen waaronder “op verzoening gerichte inspanningen van de Palestijnen.” Geen misverstand: het ging daarbij niet om hun verzoening met het bestaan van de staat Israël, maar om de onderlinge verzoening tussen Hamas en de Palestijnse Autoriteit van Abbas (34).

De uitzonderlijk geringe aandacht die in het Westen wordt besteed aan de veranderende rol van de OIC,
Daardoor valt des te meer op dat de OIC, in tegenstelling tot de EU, een kenmerk minder telt dan het Runnymede-rapport
maakt het noodzakelijk om verder over die organisatie uit te weiden. De eerste stappen op dit terrein zijn dan ook bijzonder eenvoudig te zetten: het lezen van het eigen tienjarenplan en het kennisnemen van de persberichten op de eigen webstek, leveren volop nuttige aanknopingspunten voor verdere studie. Ik beperk me hier tot een beoordeling van het karakter van de OIC en de specifieke omgang met islamofobie.
De OIC is eerst en voor alles een netwerk van de politieke elites van de lidstaten: intern beloeren ze elkaar, maar tegenover de rest van de wereld houden ze elkaar de hand boven het hoofd. Schrijnend is bijvoorbeeld de manier waarop de OIC de leider van het Soedanese regime in bescherming neemt en al helemaal wanneer deze opstelling wordt afgezet tegenover de OIC-steun aan de mohammedaanse, terroristische afscheidingsbeweging in Zuid-Thailand.
Maar nog schokkender is hun standpunt over het stenigen van ‘overspeligen’:
Ze [de ministers] bevestigden het recht van staten om hun religieuze, sociale en culturele eigenheden te handhaven, eigenheden die behoren tot hun erfgoed en die bijdragen aan het verrijken van gemeenschappelijke, universele concepten van mensenrechten. Ze benadrukten dat de universaliteit van de mensenrechten niet gebruikt moet worden als voorwendsel om zich te mengen in de binnenlandse aangelegenheden van Staten en om hun nationale soevereiniteit te bespotten. De conferentie veroordeelde ook de beslissing van de Europese Unie om stenigen als straf en wat ze inhumane straffen noemen, zoals door een aantal lidstaten in overeenstemming met de islamitische Sharia worden toegepast, af te keuren. (35)

Steniging als verrijking van universele mensenrechten dus en wij-zij-denken in optima forma. Het grote politieke succes van de OIC is intussen niet zo zeer te danken aan de ruime financiële middelen van een aantal van de lidstaten, maar aan het smeden van eenheid door het exploiteren van het samenbindende effect van gezamenlijke externe vijanden. Deze vaststelling is cruciaal voor de beoordeling van het karakter van deze organisatie.
De eerste van die externe vijanden is de staat Israël. In tal van documenten van de OIC wordt herhaald dat de organisatie is opgericht als reactie op de brandstichting in de Al-Aqsa moskee in Jeruzalem in 1969. Even zo vaak verzuimt men daarbij aan te geven dat de brandstichter een doorgedraaide christenfundamentalist uit Australië was; geen Jood en geen Israëli. Leiders van landen met een mohammedaanse meerderheid buitelen over elkaar heen in een afwisselend lachwekkende en huiveringwekkende competitie in het uitspreken van de meest haatdragende teksten; meestal gericht aan het adres van Israël maar met enige regelmaat ook in de vorm van onvervalste jodenhaat (36).

Verschillende definities
De tweede externe vijand die voor de OIC een rol vervult in het smeden van de eenheid tussen de lidstaten, in weerwil van hun vele verschillen in belangen en standpunten, is het beginsel van individuele vrijheid en meer specifiek de universaliteit van de mensenrechten. Middels de verklaring van Caïro, opgesteld door religieuze voormannen en volledig onderschreven door de OIC, is frontaal de aanval ingezet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens door vast te leggen dat sharia - een niet nader omschreven geheel van regels - boven de mensenrechten gaat (37). De laatste jaren wordt deze strijd in iets minder openlijke vorm gevoerd via het aanvallen van de moeder van alle vrijheden: de vrijheid van meningsuiting. De OIC strijdt tegen de vrijheid van meningsuiting wanneer die mening betrekking heeft op enig aspect van het mohammedanisme. Om dit wat minder te laten opvallen is men er inmiddels toe overgegaan activiteiten op dit terrein te benoemen als strijd tegen het belasteren (‘defamation’) van elke godsdienst, vanzelfsprekend zonder aan te geven wat onder ‘elke godsdienst’ wordt verstaan. In het kader van die strijd is het Runnymede-rapport door de OIC gretig omarmd.
Zoals eerder vermeld geldt dit ook voor de EU. Ik gebruikte zelfs de term ‘constituerend document’. Dat geldt dan wel niet voor alle aanbevelingen die het rapport telde, maar de merkwaardige opsomming van kenmerken van islamofobie, die moet doorgaan voor een definitie, is door de EU integraal overgenomen. Niet alleen gebruikt de EU (38) om islamofobie aan te duiden bewoordingen die identiek zijn aan die van Runnymede, er is ook eenzelfde aantal kenmerken opgenomen; in dezelfde volgorde. We kunnen dan toch wel van omarmen spreken. Ook de OIC verwijst naar de Runnymede-stichting, gebruikt identieke bewoordingen en heeft de volgorde van de kenmerken gehandhaafd (39). Daardoor valt des te meer op dat de OIC, in tegenstelling tot de EU, een kenmerk minder telt dan het Runnymede-rapport! De leugenachtigheid van de OIC wordt terloops geïllustreerd door de bewering, de regelrechte leugen, dat het Runnymede-rapport zelf ook slechts zeven kenmerken voor islamofobie telt, net als de OIC. Maar het ontbrekende kenmerk is niet per ongeluk weggelaten, en dat juist dit kenmerk ontbreekt zegt heel veel, zo niet alles, over de ‘clash of civilizations’ waar we mee te maken hebben: het betreft namelijk kenmerk 5. Het kenmerk dus over het mohammedanisme als politieke stroming:
De islam wordt gedefinieerd als een politieke ideologie, en vooral gezien als inzet voor politieke en militaire doeleinden.

Politieke activisten in Groot-Brittannië gaven aan dat islamofoben fout bezig zijn door er op te hameren dat in het moham­medaanse gedachtegoed kerk en staat niet gescheiden zijn, dat het moham­medaanse gedachtegoed - op z’n minst ook - een politieke ideologie is. Voor de politici en ambtenaren van de EU is die scheiding zo vanzelfsprekend dat dit kenmerk zonder verdere reflectie werd overgenomen in de beschrijving van een te bestrijden fenomeen. Tegelijkertijd laat juist de meest politieke van de belangrijke moham­medaanse organisaties - de OIC - weten geen moeite te hebben met de bewering dat binnen het mohammedanisme moskee en staat niet gescheiden zijn.
een onafzienbare reeks van herhalingen, verdraaiingen, overdrijvingen, perverteringen en regelrechte verzinsels

In het Westen kent men de verreikende betekenis van dit verschil niet en wie het wel kent, weigert vaak dit verschil onder ogen te zien. Van de twintig leden van het Europese Parlement die ik attent maakte op de passage in mijn boek hierover - de passage toch met de grootste relevantie voor de Europese politiek - reageerde er precies één door mij uit te nodigen voor een gesprek in Brussel. Tijdens het gesprek bleek echter dat de uitnodiging het gevolg was van een onthullend misverstand: op basis van de titel van mijn boek vermoedde SP-europarlementariër Dennis De Jong in mij een potentiële bondgenoot in zijn strijd tegen Geert Wilders gevonden te hebben (40).

Naar een andere definitie
Daarmee belanden we dan weer bij de nationale politieke verhoudingen in de westerse landen. In meer of minder uitgesproken vorm is er in een reeks van westerse landen sprake van een ‘cordon sanitaire’ rondom organisaties of partijen die indringend het karakter van de moham­medaanse ideologie aan de kaak stellen. België kent het Vlaams Belang, Nederland de PVV, Groot-Brittannië de English Defense League en in de V.S. is bijvoorbeeld aan ‘Stop Islamization Of America’ (SIOE) die rol toebedeeld. De Deense Volkspartij onder leiding van Pia Kjaersgaard hoort niet in het rijtje omdat de partij zo groot is en zo slim opereert dat de strategie van demonisering niet meer werkt: via de gedoogsteun aan de minderheidsregering drukt deze partij juist een vrij groot stempel op het beleid van de centrale overheid.

We mogen er van uitgaan - ik wil er in ieder geval van uitgaan - dat de neiging tot demonisering van ‘islamcritici’ en tot formele of de facto uitsluiting van politieke stromingen en individuen, die de problemen met het mohammedanisme een prominente plaats geven in hun maatschappij-analyse, niet uitsluitend is ingegeven door de angst kiezers te verliezen onder mohammedanen en cultuurrelativisten: ook oprechte bezorgdheid moet een rol spelen.

Wie kritisch staat tegenover de OIC en het mohammedanisme herkent in het islamofobie-jaarverslag 2009-2010 (41) een onafzienbare reeks van herhalingen, verdraaiingen, overdrijvingen, perverteringen en regelrechte verzinsels. Hieronder slechts enkele voorbeelden daarvan.
Van de Fort Hood-aanslag wordt de islamitische inslag glashard en volledig ontkend. Ondanks ‘Allahoe akbar’-gekrijs van de dader tijdens het vermoorden van dertien van zijn collega’s, van wie er een zwanger was. Ondanks diens relatie met een haatprediker uit Jemen die ook contact had met uitvoerders van andere mohammedaanse terreuracties.
Met het ontmaskeren en verwerpen van het begrip ‘islamofobie’ is echter nog niets gezegd over de noodzaak bescherming te bieden aan mensen die zichzelf moslim noemen
Ondanks zijn uitdossing in traditioneel moham­medaanse kledij en het uitdelen van Korans in de ochtend van de dag waarop hij het bloedbad aanrichtte. Zelfs ondanks zijn onthullende powerpoint­presentatie, die hij in 2007 presenteerde voor een publiek van collega-medici; de volledige presentatie van 50 dia’s is (nog) te bekijken op de webstek van de Washington Post. Zeker voor wie de materie enigszins kent is de inhoud verbijsterend: een uiteenzetting van iemand die de boodschap wil overbrengen dat er “wel gematigde moham­­medanen bestaan, maar geen gematigd moham­medanisme”. Op dia 49 valt te lezen: “Moslims kunnen beschouwd worden als gematigd (bereid tot compromis), maar God niet.”

De volstrekt grenzeloze leugenachtigheid van de islamofobie­watchers wordt zo mogelijk nog beter geïllustreerd door de wijze van omgaan met de aanslagen op de Deense cartoonist Kurt Westergaard rond de jaarwisseling 2009-2010. Kort na de aanslag op diens leven door een Somalische asielzoeker (o, bittere ironie), die al eerder verdacht werd van betrokkenheid bij terreuracties van de Somalische fundamentalistische terreurgroep Al-Shabab, citeerde de OIC in haar ‘Islamofobie-monitor’ nog een CNN-verslag van een eigen verklaring waarin de aanval werd veroordeeld (43). Maar in het jaarverslag van enkele maanden later wordt bij het aanhalen van de moordaanslag door dezelfde organisatie steeds en tot vier keer toe het bijvoeglijke naamwoord ‘alleged’ toegevoegd, ‘vermeend’ dus.
Vanuit het niets, zonder een enkel voorbeeld of verwijzing, schrijft men op bladzijde 29 ineens over:
… discriminerende praktijken in huisvesting, scholing en werk­gelegenheid; beperkingen op het voorzien in geschikte locaties voor erediensten en begraafplaatsen; houding van wetshandhavers met name bij het opsporen en arresteren (sic) en douaneprocedures.

Maar er liggen evengoed enkele werkelijk nare gebeurtenissen ten grondslag aan het geschrevene in dat jaarverslag. Gebeurtenissen die mensen ook reden tot bezorgdheid kunnen geven. De uitspraak van de Zwitserse bevolking tegen het opnemen van minaretten in de bouwplannen van nieuwe moskeeën is echt wel gebaseerd op een sterk gevoel van onbehagen over het mohammedanisme als geheel. Zeker in het licht van de christenvervolging, het vernielen van kerken en zelfs officiële verboden om überhaupt kerken te bouwen in landen met mohammedaanse meerderheden, is de hysterische OIC-reactie op dit voorstel inzake een bouwvoorschrift buitengewoon misplaatst (44). Onmiskenbaar zal ook hier echter - misschien wel terecht - een dreiging uitgaan in de richting van volstrekt fatsoenlijke mensen die zichzelf moslim noemen. Het rapport vermeldt ook dat in enkele westerse landen zelfs graven van mohammedanen ontheiligd zijn: dat zijn weerzinwekkende praktijken.

Met het ontmaskeren en verwerpen van het begrip ‘islamofobie’ is echter nog niets gezegd over de noodzaak bescherming te bieden aan mensen die zichzelf moslim noemen. Onder het mom van bescherming van mensen wordt door mohammedaanse politici en anderen de mohammedaanse ideologie in bescherming genomen. De noodzaak de mensen te beschermen wordt daardoor echter niet groter of kleiner. Er is behoefte aan een begrippenkader dat wel gaat over het beschermen van de mensen, een begrip dat geen onderdeel is van een offensieve strategie van mohammedaanse leiders, maar van een offensieve strategie van de westerse beschaving.
Maar laat er geen misverstand over bestaan: zo’n kader bestaat natuurlijk al sinds 1948, toen de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens werd ondertekend. En voor zover die niet voldoet is er nog de grondwet (45). De meerderheid der politici en rechters in westerse landen is bovendien eerder geneigd om rechten die samenhangen met ‘godsdienst’ in het voordeel van de mohammedaanse politiek op te rekken dan om ze in te perken. In juridische zin hoeft daar zeker niets aan te worden toegevoegd. Wanneer het om een (dreigende) frontale botsing van beschavingen gaat, kan echter niet blindelings op het recht worden vertrouwd: politieke en ideologische strijd zijn dan uiteindelijk belangrijker.

In die context zijn de mensen in het Westen die zichzelf moslim noemen onvoldoende beschermd tegen twee met elkaar samenhangende gevaren.
Beide hebben te maken met vormen van opsluiting.
Beide hebben te maken met de nu nog vrijwel volledig ondergrondse maar uiteindelijk ernstigste dreiging: de dreiging van een explosie van geweld.
Het ene gevaar is de verleiding van de superioriteits­waan-in-stamhoofdstijl, die wordt gevoed door het exploiteren van gevoelens van achterstelling en mislukking door moham­medaanse fundamentalisten en extremisten. Het andere gevaar is de tegenpool ervan: het gevaar dat de meerderheid van de bevolking in het Westen alle mensen die zichzelf moslim noemen - of zelfs alleen maar nakomeling zijn van mensen die werden geboren in een land met mohammedaanse meerderheid! - identificeert met de aspecten van moordlust en vrouwenhaat van moham­medaanse (sub)culturen elders in de wereld. Beide factoren dragen er aan bij dat een crisis gruwelijke proporties zou kunnen krijgen.
In 2002 deed zo’n crisis zich voor in de meest westelijke Indiase deelstaat Gujarat.
Nadat moham­medaanse extremisten zestig mensen - mannen, vrouwen en kinderen - die werden gerekend tot een fundamen­talistische hindoe­groepering, in een trein levend hadden verbrand, volgde een explosie van geweld tegen de moham­medaanse minderheid in de deelstaat die aan ongeveer duizend mensen het leven kostte. Ongeveer driekwart van de slachtoffers was moham­medaan. Tienduizenden mensen, weer vooral mohammedanen, kwamen in vluchtelingen­kampen terecht. De naweeën van deze uitbarsting zijn nog steeds voelbaar (46). Vanzelfsprekend zal exact dezelfde crisis zich hier niet voordoen, maar de kans op een verschrikkelijke uitbarsting wordt intussen wel vergroot door inspanningen die erop zijn gericht om zelfs de meest kwalijke aspecten van praktijk en theorie van het moham­medanisme buiten schot te houden.

In Europa hebben zich de afgelopen jaren wel gebeurtenissen voorgedaan die een indicatie geven van hoe een en ander zich zou kunnen ontwikkelen.
Mensen in het Westen die zichzelf moslim noemen, moeten worden beschermd tegen opsluiting in een moham­medaanse identiteit
De vloedgolf van brand­stichting en andere vormen van geweld in de Franse banlieues in 2005, het verjagen van autochtone bewoners - met name homo’s - uit de getto’s, het opzoeken van confrontaties met anti-islamiserings­demonstraties, etc.
Een belangrijke constante is dat het meest ernstige geweld van allochtone zijde optreedt als reactie op de dood van misdadigers in confrontaties met de politie.
Geruchten van of werkelijk voor­komend seksueel geweld tegen autochtone vrouwen zijn de meest voor de hand liggende vonken voor een gewelds­explosie van autochtone zijde.
Die laatste inschatting wordt vrij breed gedeeld door politici die om die reden neigen tot het in de doofpot stoppen van informatie hierover.
Men weigert onder ogen te zien daarmee juist bij te dragen aan de groei van het wantrouwen en in het verlengde daarvan aan het gevaar van een nog grotere explosie van geweld.

Tegen opsluiting
Mensen in het Westen die zichzelf moslim noemen, moeten worden beschermd tegen opsluiting in een moham­medaanse identiteit: door wie die identiteit ook verzonnen of uitgedragen wordt.
De UVRM en de wetten van westerse landen zijn gericht op bescherming van individuele mensen.
Ook de allerkleinste beweging in de richting van het loslaten van dit kernbegrip - denk aan het vergoelijken van het principe van parallelle rechtssystemen, lees: sharia‘recht’spraak - moet met alle kracht worden bestreden.
Gestreden moet worden tegen alles wat leidt tot het opsluiten van mensen in moham­medaanse getto’s: geografische of organi­satorische. Initiatieven die variëren van openlijk streven naar moham­medaanse enclaves, waarvan de pleitbezorgers banden hebben met terroristische groepen en zich zonder voorbehoud uitlaten over heilige oorlog tot de hele wereld onderworpen is (47), tot vijandige overname van een gemengd Nederlands-Marokkaanse voetbalclub (48). Het opdringen van Koranonderwijs aan mensen met een buitenlandse achtergrond zou men ergens halverwege die schaal kunnen plaatsen (49).

Mensen in het Westen die zichzelf moslim noemen, mogen niet worden opgesloten in een eigen zuil, zeker niet op basis van onzinnige beweringen van de Job Cohens van deze wereld, dat religieuze zuilen in Nederland destijds integratie van de betreffende groepen tot doel hadden.
Mensen in het Westen die zichzelf moslim noemen, mogen niet worden opgesloten in een vorm van slachtofferschap, niet als individu en zeker niet als cultuur. Daarmee wordt ook recht gedaan aan de individuele mensen die zich weten te ontworstelen aan de dreiging van opsluiting in die rol.

We moeten vasthouden aan de mogelijkheid dat het economisch achterblijven van de Oeigoeren in West-China, van de gemiddelde mohammedaan in India en van de gemiddelde mohammedaanse immigrant in Europa, verband houdt met dezelfde factoren die er voor zorgen dat landen die door het mohammedanisme gedomineerd worden, economisch achterblijven. We moeten beseffen dat landen die door het mohammedanisme beheerst worden maar economisch niet of minder achterblijven, dat vooral te danken hebben aan niet-mohammedaanse gastarbeiders, westerse of andere buitenlandse geologen (olie) of een belangrijke niet-mohammedaanse minderheid.

We moeten oog blijven hebben voor het feit dat de slachtofferrol gecultiveerd en aangemoedigd wordt. Hij is gebaseerd op klachten en gejammer, niet op feitelijke achterstelling. De formulieren die de in Groot-Brittannië gevestigde Islamic Human Rights Commission gebruikt om Vijandigheid en Discriminatie ervaren door Moslims (mijn nadruk, FG) in beeld te brengen, vormen een mooie illustratie van dat aanmoedigen (50).
De Commission on British Muslims and Islamophobia spreekt in haar rapport correct, maar waarschijnlijk onbedoeld, over ‘grievances’. Dat zijn immers ‘werkelijke of ingebeelde onrechtvaardige, oneerlijke of immorele acties of andere redenen tot klagen’ (51). Van dat cultiveren geeft dezelfde organisatie een frappant voorbeeld met haar berichtgeving over het grote aandeel mohammedanen onder vluchtelingen wereldwijd. Niet enkel wordt de schuld voor het vluchtelingschap van de Irakezen, slachtoffer van het extreme geweld tussen soennieten en sjiieten, het Westen aangewreven. Ook wordt zelfs de verdraaiing van de schuldvraag van toepassing geacht op de vluchtelingen uit Soedan (52).

Een andere illustratie van dat cultiveren kan worden gevonden in de aanprijzing door de uitgever van het eerdergenoemde boek Recalling the Caliphate:
Elk hoofdstuk analyseert de verdraaiingen en ontwijkingen waarmee de dekolonisatie van de moslimwereld wordt afgeleid en uitgesteld, terwijl het tweede deel van het boek voortbouwt op deze kritiek met nader onderzoek en pogingen om de dekolonisatie van de islamitische oemma te versnellen.

De mohammedaanse oemma is de fase van kolonialisme nog lang niet te boven! In lijn met Edward Saïds beschuldiging van oriëntalisme, wordt zowel de teloorgang van het kalifaat voordat het kolonialisme aan de orde was als het falen in de decennia na de dekolonisatie genegeerd.

Geen behandeling als 5e colonne
De ernstigste bedreiging voor mensen die zichzelf moslim noemen, de ultieme vorm van opsluiting die hen kan overkomen, is behandeld worden als een vijfde colonne en in het verlengde daarvan te worden opgesloten of gedeporteerd. Dat is niet de meest acute dreiging. Wereldwijd bestaan er echter mohammedaanse regimes en niet-gouvernementele organisaties die er perspectief in zien (om te proberen) deze mensen in het Westen in te zetten als een vijfde colonne voor hun eigen strijd. Zij streven naar machtsuitbreiding of zelfs naar onderwerping van de hele wereld aan een mohammedaanse dictatuur. Het gaat hierbij niet alleen om groepen die door iedereen als terroristen worden beschouwd, maar ook om regeringsleiders als Erdogan van Turkije of Khadaffi van Libië.
Het is niet heel waarschijnlijk dat de beschuldiging een vijfde colonne te vormen op korte of middellange termijn de meest acute dreiging zal worden, maar omdat een politieke en ideologische strijd aan de orde is (53), veel meer dan een militaire of juridische, is het zinnig om hier toch nu al stil te staan bij de ervaringen van en overeenkomsten en verschillen tussen enkele groepen mensen die in het verleden slachtoffer werden van zo’n beschuldiging.
De bekendste groep die dit lot trof in het niet zo verre verleden was die van de Amerikaanse Japanners. Onmiddellijk na de aanval op Pearl Harbour in december 1941 was er nog geen sprake van verhoogde vijandigheid tegenover de ongeveer 150 000 Japanners in de VS, van wie de jongste tweederde de Amerikaanse nationaliteit had. Er was wel sprake van vijandigheid tegenover Japanners. Tot in de wetgeving toe werden de Japanners al vele decennia gediscrimineerd. Het feit dat ze in het algemeen hard werkten en zich bereid toonden tegen lagere lonen te werken en stakingen te breken, speelde daarin een belangrijke rol. In de loop van 1942 namen de beschuldigingen van spionage voor het Japanse keizerrijk toe en in hetzelfde jaar werd een grote meerderheid van hen vastgezet in interneringskampen. Begin 1945 ....  

Frans Groenendijk,  01-07-2011          

Reacties
# 1
Jos Arends:

Een voorbeeld van hoe de OIC de term 'islamofobie' introduceert in de samenleving en hoe het daarmee legitieme islamkritiek criminaliseert, zagen we laatst op het prestigieuze Georgetown University. Zij ontvingen 325.000 van het OIC om een symposium over 'islamofobie' te houden. Dit gebeurde in samenwerking met CAIR (Moslimbroederschap), wiens agenda daarbij prima aansluit. De OIC (en dus de VN) lijkt in toenemende mate de belangen van het Moslimbroederschap te dienen. In de EU heb je de raamwerken ('frameworks') over 'haatzaaien', die onder andere Wilders tegen zich gebruikt zag. Het is kruipende sharia, dat islamkritiek gelijkstelt aan blasfemie. Hoe zei Bat Ye'or het ook alweer, we leven onder de schaduw van een kalifaat?

02-jul 2011 ,  10:04
Reageren is niet mogelijk op dit bericht.